“De levensgevaarlijke praktijken van deze troll met haar stomme kop moeten stoppen voordat er dooien vallen!”

10 maart 2017

Laster op Facebook. Kun je daar iets tegen doen? Social media als Facebook en Twitter bieden de mogelijkheid om met een groot bereik je mening te verkondigen. Over alles en over iedereen. De vrijheid van meningsuiting is een groot goed en van die vrijheid wordt dankbaar gebruik gemaakt op het internet. Die vrijheid is evenwel niet onbegrensd. Wat als iemand zijn vrijheid van meningsuiting gebruikt om met een lastercampagne op Facebook jouw professionele deskundigheid ter discussie te stellen?

De casus

De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam boog zich onlangs over uitlatingen op Facebook van een kritische patiënt over zijn huisarts. In het vonnis van 8 februari 2017 is te lezen dat deze man vond dat ondeskundig handelen van zijn huisarts hem een nier gekost had. De woede daarover ventileerde hij op Facebook, waarbij hij de huisarts er ook van beschuldigde dat ze bij diverse andere patiënten verkeerde diagnoses gesteld had. Hij meende dat de levensgevaarlijke praktijken van deze huisarts moesten stoppen en dat de huisarts tegen zichzelf in bescherming genomen moest worden. Door haar vast te laten binden, of door haar nek om te draaien, maar hoe dan ook zou deze eigenwijze troll met haar stomme kop ervoor bloeden, zo gaf de patiënt invulling aan zijn recht op vrijheid van meningsuiting.

De huisarts was niet gediend van deze publieke beschuldigingen, beledigingen en bedreigingen. Zij nodigde haar patiënt uit om het gesprek met haar aan te gaan, maar daar ging hij niet op in. Aan het verzoek om de negatieve berichtgeving over de huisarts op Facebook te staken, gaf de patiënt evenmin gehoor. “Ik ga niets van Facebook verwijderen en niets nuanceren want de waarheid is de waarheid en die mag en zal ik uitdragen op de manier die mij goeddunkt,” aldus de man. Daar dacht de huisarts anders over, en zij wendde zich in kort geding tot de rechter.

De overwegingen van de rechter

In het vonnis weegt de voorzieningenrechter twee fundamentele rechten tegen elkaar af: het recht op vrijheid van meningsuiting aan de ene kant en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer aan de andere kant.

De vrijheid van meningsuiting is vastgelegd in artikel 10 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). De voorzieningenrechter onderschrijft het belang van het recht op die vrijheid: een patiënt moet zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend kunnen uitlaten over misstanden in de huisartsenzorg. De vrijheid van meningsuiting is ook – en eigenlijk juist – bedoeld voor situaties waarin niet iedereen gediend is van de verkondigde mening. “De vrijheid van meningsuiting heeft nut juist waar het schrijnt”, zo overweegt de voorzieningenrechter. Iemand die meent dat hij geneeskundig slecht behandeld is, mag zijn onvrede dus in principe publiekelijk uiten. Het kan zelfs een maatschappelijk belang dienen om een eventuele misstand in de geneeskunde aan de kaak te stellen.

Maar daar staat dus het (in beginsel gelijkwaardige) recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer tegenover. Dat recht is neergelegd in artikel 8 EVRM en omvat ook de bescherming van de eer en goede naam. De huisarts deed daar een gegrond beroep op: zij heeft er belang bij dat zij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan voor haar ongewenste publiciteit.

Deze twee fundamentele rechten moest de voorzieningenrechter tegen elkaar afwegen. In die afweging hechtte de voorzieningenrechter waarde aan de vraag of de patiënt zijn standpunten over de ondeskundige behandelingen van de huisarts waar kon maken. Als hij zijn klachten en beschuldigingen waar zou kunnen maken zou hij terecht iets aan de kaak stellen, maar anders zou sprake zijn van laster, die enkel gericht is op het beschadigen van de huisarts. En dat is onrechtmatig. De bewijslast lag wat dat betreft bij de patiënt: het was aan hem om aan te tonen dat de huisarts tekort geschoten was in de behandelingen van hem en de andere ‘slachtoffers’ en niet aan de huisarts om te bewijzen dat zij goed werk verricht had.

De uitspraak

Ter zitting werd vastgesteld dat de patiënt zijn beweringen helemaal niet kon staven, terwijl hij daar wel maanden tijd voor had gehad. Dat hij zijn standpunt nog steeds niet wist te onderbouwen met relevant bewijsmateriaal en daar ook geen kenbare pogingen toe gedaan had, moest voor rekening van de patiënt komen. De huisarts hoefde daarom niet langer te dulden dat de man nog negatieve uitlatingen deed over de kwaliteit van haar werk. De rechter oordeelde dat de huisarts op onrechtmatige wijze in haar eer en goede naam geschaad werd met de lastercampagne van haar patiënt.

Daar kwam bij dat onnodige grievende woorden als “eigenwijze troll” en “met zo’n stomme kop” volgens de voorzieningenrechter sowieso niet mogen worden gebezigd in openbare uitlatingen. Bedreigingen als “ik ga haar nek omdraaien” en “de huisarts gaat er voor bloeden” zijn daarbij al helemaal niet toegestaan. De patiënt werd veroordeeld om de lastercampagne direct te stoppen, en om de berichtgeving over de huisarts op Facebook of ieder ander social medium te verwijderen en verwijderd te houden, beide op straffe van dwangsommen tot maximaal € 20.000,00.

De conclusie

De conclusie is dat de vrijheid om een mening publiekelijk te verkondigen weliswaar groot is, maar dat dat je niet hoeft te dulden dat iemand die vrijheid misbruikt om op Facebook een ongefundeerde lastercampagne tegen je te voeren. Een verbod daarop en verwijdering daarvan is in rechte af te dwingen.

Koen Boddaert
10 maart 2017

Meer artikelen over de volgende rechtsgebieden: