Bemoeizuchtige ouders op de vingers getikt; of toch niet?

07 september 2012

Een man wil met zijn vriendin een huis kopen, maar hun relatie wordt verbroken en de koop gaat niet door. Daardoor wordt hij een contractuele boete van € 13.500,00 verschuldigd, die hij onmogelijk kan betalen. Zijn ouders zijn bereid hem te helpen, onder één voorwaarde: hij mag nooit meer een relatie aangaan met die verschrikkelijke ex-vriendin van hem. Ze lenen hun zoon een bedrag van € 13.500,00, waarbij bepaald wordt dat aflossing vrijblijvend is, met dien verstande dat de lening ineens opeisbaar zal zijn als hij weer iets begint met zijn ex. Mag dat?

De rechtbank en het hof in Den Bosch hebben zich over die vraag moeten buigen, toen bleek dat de zoon toch weer een affectieve relatie was aangegaan met de nagel aan de doodskist van zijn ouders, en het geleende bedrag werd opgeëist.

De rechtbank (www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BQ5051) maakt een afweging tussen twee vrijheden. Enerzijds heeft iedereen recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven, zodat de zoon wat de rechtbank betreft vrij is in zijn keuze met wie hij een affectieve relatie aangaat. Anderzijds geldt contractsvrijheid: iedereen mag in beginsel met elkaar afspreken wat hij wil. De eerste vrijheid laat de rechtbank zwaarder wegen: de bepaling dat de lening alleen terugbetaald moet worden als de zoon een relatie aangaat met een bepaald persoon, heeft de strekking van een financiële bestraffing bij het negeren van de ouderlijke afkeuring van de bewuste partner. De zoon mag op die manier niet beperkt worden in zijn recht zijn eigen partner te kiezen; de opeisingsclausule acht de rechtbank in strijd met de goede zeden, en dus nietig. De ouders kregen hun geld niet terug.

Zij zijn het daar niet mee eens en gaan in hoger beroep. Ook het hof (www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BX6427) bestempelt de bepaling omtrent de vervroegde opeisbaarheid echter als een onaanvaardbare beperking van de fundamentele vrijheid van de zoon in zijn partnerkeuze. Er komt een moment, zo zegt het hof wijselijk, dat een kind zelf over zijn leven moet beslissen en dat moment is ruimschoots gepasseerd, als een zoon 32 jaar oud is en al lange tijd niet meer thuis woont. Daarbij acht het hof van belang dat de ouders wisten dat hun zoon het bedrag niet terug zou kunnen betalen, zodat ze hem met deze opeisbaarheidsclausule in een dwangpositie gemanoeuvreerd hadden. De opeisingsclausule is ook volgens het hof dus in strijd met de goede zeden, en daardoor nietig. Maar dan nemen de overwegingen van het hof een verrassende en discutabele wending.

Het hof overweegt namelijk, dat de (nietige) bepaling voor de ouders van doorslaggevend belang was bij hun beslissing om geld te lenen aan hun zoon; zij wilden het geld niet lenen, als hij weer een relatie met zijn ex zou gaan onderhouden. Die strekking van de geldleningsovereenkomst brengt volgens het hof met zich dat de opeisbaarheidsclausule in onverbrekelijk verband staat met de rest van de overeenkomst, zodat niet alleen de opeisbaarheidsclausule, maar de gehele geldleningsovereenkomst nietig is. Dat houdt in dat de ouders het bedrag van € 13.500,00 onverschuldigd betaald hebben, zodat de zoon dit bedrag in zijn geheel evengoed terug moet betalen.

Het resultaat: de zoon, die volgens het hof door zijn financiële situatie feitelijk gedwongen was de nietige directieven van zijn ouders over zijn partnerkeuze te aanvaarden, wordt toch bestraft voor zijn partnerkeuze, met een terugbetalingsverplichting die het hof eerder als onmogelijk aanmerkte. De conclusie van het hof is dus dat de ouders zich niet op deze manier zouden mogen bemoeien met de partnerkeuze van hun zoon, maar dat ze dat feitelijk tóch kunnen. Die conclusie lijkt op zijn minst onbevredigend.

Meer artikelen over de volgende rechtsgebieden: