Bodemverhuur – een kat-en-muis-spel tussen fiscus en de bank

09 november 2012

Gaat de versterking van de positie van de belastingdienst ten koste van kredietverleners?

Het bodemrecht (neergelegd in artikel 22 lid 1 Invorderingswet 1990) geeft de Ontvanger een verhaalsrecht op bepaalde roerende zaken die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden, ongeacht wie eigenaar van deze zaken is. Het gaat daarbij – kort gezegd – om inventariszaken en niet om voorraden of transportmiddelen. Derden, zoals de leverancier die zaken onder eigendomsvoorbehoud heeft geleverd, kunnen dus als gevolg van dit bodemrecht van de fiscus het nakijken hebben. Daarnaast heeft de belastingdienst een bodemvoorrecht op grond waarvan de belastingdienst voorrang heeft op de vorderingen van andere crediteuren die rechten hebben op de bodemzaken.

In de praktijk is er vaak sprake van een kat-en-muis-spelletje. Om haar preferente positie te kunnen benutten dient de belastingdienst zogenaamd bodembeslag te leggen. Pandhouders, zoals de bank, zijn veelal beter geïnformeerd over de financiële positie van hun kredietnemer en zij zijn er dan ook als de kippen bij om bijvoorbeeld hun pandrecht in te roepen waardoor de belastingdienst aan het kortste eind trekt. De pandhouder kan bijvoorbeeld de bedrijfsmiddelen laten ophalen en buiten de macht van de fiscus houden door deze zaken ergens anders op te slaan. Bovendien worden de rechten van de fiscus in de praktijk vaak gefrustreerd door de zogenaamde bodemverhuurconstructie: de ‘bodem’ wordt verhuurd aan de pandhouder of een derde en is daarmee dus niet meer in gebruik bij de belastingplichtige. Er is dus geen sprake meer van een ‘bodem’ van de belastingplichtige en dus ook niet meer van zich daarop bevindende bodemzaken. Hoewel deze bodemverhuurconstructie in het verleden door de fiscus vaak is bestreden, is de rechtsgeldigheid van een zorgvuldig opgezette bodemverhuurconstructie in de jurisprudentie geaccepteerd.

Ook leveranciers van zaken die een eigendomsvoorbehoud hebben bedongen, kunnen in de praktijk van een koude kermis thuiskomen indien de fiscus bodembeslag legt op bijvoorbeeld het machinepark. De leverancier met een rechtsgeldig gevestigd eigendomsvoorbehoud verkeert waarschijnlijk in de waan dat hem niets kan gebeuren, maar hij zal in dit geval toch met lede ogen moeten aanzien dat de fiscus zich gaat verhalen op zijn eigendom. De leverancier onder eigendomsvoorbehoud zal er derhalve voor moeten zorgen dat hij – voordat de fiscus bodembeslag komt leggen – de door hem geleverde zaken heeft opgehaald.

Naar alle waarschijnlijkheid treedt op 1 januari 2013 een wetswijziging in werking op grond waarvan de positie van de belastingdienst aanmerkelijk wordt versterkt en waarmee gepoogd wordt verijdelingsconstructies te verijdelen. In het Ontwerp artikel 22bis Invorderingswet 1990 (artikel IX Belastingplan 2013) wordt een mededelingsplicht geïntroduceerd. Deze mededelingsplicht houdt in dat een rechthebbende, zoals een pandhouder of een leverancier onder eigendomsvoorbehoud, die van plan is om zijn rechten op een bodemzaak uit te oefenen, verplicht is om de belastingdienst hiervan vooraf te informeren. Datzelfde geldt voor een voornemen om iets te gaan doen waardoor de bodemzaken waarop de rechten worden uitgeoefend niet meer als bodemzaken zouden kunnen worden gekwalificeerd. Deze mededelingsplicht geldt pas als de waarde van het totaal van de bodemzaken een drempelbedrag van (op dit moment) € 10.000,00 te boven gaat.

Vervolgens gaat er een termijn van vier weken lopen. In die periode mag de pandhouder of overige derde (zoals dus de leverancier onder eigendomsvoorbehoud) zijn rechten niet uitoefenen. Hij mag ook geen handelingen verrichten die ertoe leiden dat de Ontvanger beperkt wordt in zijn recht met betrekking tot de bodemzaken.

In deze periode van vier weken heeft de belastingdienst het recht om van haar bodem(voor)recht gebruik te maken. Pas als de fiscus deze termijn van vier weken ongebruikt laat kan de rechthebbende, zoals de pandhouder, weer aan de slag. Dat moet hij dan wel met enige voortvarendheid doen. Indien hij dat immers niet binnen vier weken doet, herleeft de mededelingsplicht en begint voornoemd circus weer opnieuw.

Als de rechthebbende zich niets aantrekt van de mededelingsplicht en gewoon zijn gang gaat, dient hij de opbrengst, dan wel de waarde van de bodemzaak aan de belastingdienst te vergoeden tot ten hoogste de verkoopopbrengst dan wel de hoogte van de openstaande belastingschulden.

Deze wijzigingen zullen naar verwachting op 1 januari 2013 in werking treden voor nieuwe belastingschulden en nieuw te vestigen zekerheden. Voor zekerheden die al voor 1 januari 2013 zijn gevestigd geldt een overgangstermijn van drie maanden. Daarna is de nieuwe wet ook op deze oude zekerheden van toepassing.

De gevolgen van deze wetswijziging zijn ingrijpend. Kredietverleners zullen (nog) terughoudend(er) worden bij het verstrekken van een financiering. Dat geldt voor zowel banken als bijvoorbeeld de leverancier onder eigendomsvoorbehoud. De vraag is of dit in tijden van economische crisis verantwoord is.