Innemen van leaseauto vaak in strijd met redelijkheid en billijkheid

24 september 2015

Als een werkgever eenmaal een leaseauto ter beschikking heeft gesteld aan een medewerker, is het niet eenvoudig om deze leaseauto weer af te nemen. Eerder schreven wij al over dit onderwerp in ons artikel “Inleveren die leaseauto. Kan dat zomaar?”. Uit een serie gepubliceerde uitspraken, waarvan een uitspraak van de kantonrechter te Rotterdam van 20 augustus 2015 voorlopig de laatste is, volgt dat het werknemersbelang bij gebruik van de leaseauto vaak zwaarder weegt dan het belang van de werkgever bij inneming van de leaseauto.

Los van de toedracht van de wijziging, collectief of individueel, en de juridische grondslag van het voornemen om een leaseauto in te nemen, overwegen veel rechters dat een (eenzijdige) verandering van de gemaakte afspraken over de leaseauto door de werkgever niet toegelaten is. In veel rechterlijke uitspraken worden de afspraken over een leaseauto gezien als een (primaire of secundaire) arbeidsvoorwaarde.

Kantonrechter Rotterdam d.d. 20 augustus 2015

In de zaak die voor de kantonrechter te Rotterdam heeft gediend, was de stichting Havensteder, een woningcorporatie, van plan om de leaseauto’s van drieëndertig werknemers in te nemen. In plaats daarvan zouden deze werknemers een aantal maanden een kleine brutovergoeding krijgen om het verlies van het privégebruik van de leaseauto te compenseren. Hoewel de ondernemingsraad zich in deze kwestie onthouden heeft van commentaar, hebben de betrokken werknemers massaal protest aangetekend tegen het voornemen van stichting Havensteder. In samenspraak tussen Havensteder en twee werknemers is het geschil op grond van artikel 96 Rv aan de kantonrechter voorgelegd (als een soort arbitrage voor de kantonrechter).

Stellingen werkgever

De werkgever stelt zich op het standpunt dat zij krachtens de artikelen 7:611, 7:613, 6:248 én 6:258 BW, vrij is om de leaseauto’s van (bepaalde) werknemers af te nemen. Zij zou hiertoe genoodzaakt zijn door een serie misstanden in de woningsector, bepaalde wet- en regelgeving en bedrijfseconomische oorzaken. Uiteindelijk wil Havensteder dat alleen nog bepaalde managers gebruik kunnen maken van een leaseauto. Het lagere personeel krijgt in plaats van een leaseauto dan een afbouwregeling en blijft uiteindelijk dus met niets over.

Stellingen werknemers

Op hun beurt stellen de werknemers zich op het standpunt dat er géén eenzijdig wijzigingsbeding is opgenomen in de arbeidsovereenkomst en dat de leaseregeling (wel mét wijzigingsbeding) niet is vervat in de arbeidsovereenkomst. Daarenboven zou de werkgever geen zwaarwichtig belang hebben bij afschaffing van de leaseregeling terwijl de leaseauto een primaire arbeidsvoorwaarde is, aldus de werknemers.

Conclusie van de kantonrechter

Eenzijdig wijzigingsbeding

De kantonrechter heeft overwogen dat artikel 7:613 BW (wijzigingsbeding) niet toepasselijk is. Uit de parlementaire geschiedenis volgt het schriftelijkvereiste van het wijzigingsbeding de rechtszekerheid dient en om die reden schriftelijk in de arbeidsovereenkomst moet zijn opgenomen (Kamerstukken II, 1996/97, 24 615, nr. 15). In het Wegener-arrest (HR 18 maart 2011, JAR 2011/108) heeft de Hoge Raad overwogen dat een eenzijdig wijzingsbeding ook mag worden opgenomen in een schriftelijke collectieve regeling, op voorwaarde dat deze regeling is opgenomen in de individuele arbeidsovereenkomst op een manier dat de vereisten van rechtszekerheid en kenbaarheid zijn gediend en verzekerd. Volgens de kantonrechter is van een dergelijke regeling in dit geval geen sprake geweest.

De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid

Daarna heeft de kantonrechter de vraag beantwoord of de werkgever ondanks het ontbreken van een wijzigingsbeding toch de betreffende arbeidsvoorwaarde eenzijdig mag wijzigen. Op basis van het Stoof/Mammoet-arrest (HR 11 juli 2008, JAR 2008, 204) en het Wegener-arrest kunnen individuele wijzigingen plaatsvinden uit hoofde van artikel 7:611 BW (goed werknemer- en werkgeverschap). Als een eenzijdig wijzigingsbeding krachtens artikel 7:613 BW ontbreekt, geldt in dat geval de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW). Langs deze maatstaf heeft de kantonrechter getoetst of Havensteder de leaseregeling van in totaal drieëndertig werknemers mocht beëindigen.

Volgens de kantonrechter zouden de gevolgen van handhaving van de leaseregeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid echter niet onaanvaardbaar zijn voor de werkgever. Het belang van de werkgever bij lagere arbeidskosten weegt naar de overtuiging van de kantonrechter niet op tegen het verworven recht van de werknemers op een leaseauto. Daarbij is van belang op te merken dat Havensteder kennelijk niet te maken heeft gehad met een financiële noodzaak om de leaseregeling te beëindigen en dat de kosten in verband met de leaseauto’s relatief laag zijn in relatie tot de totale arbeidskosten. Andere belangrijke aspecten zijn de overweging dat het privégebruik van de leaseauto een vorm van beloning is en het gegeven dat de werknemers de auto nodig hebben voor hun functie. Tot slot zou de beoogde afschaffing van de leaseregeling alleen de ‘gewone’ werknemer raken. De hogere managers zouden niets hoeven in te leveren, terwijl de werknemers eerder zijn geconfronteerd met versobering van hun arbeidsvoorwaarden en de voorziene afbouwregeling ter vervanging van de leaseauto mager is. Kortom, de werknemers mogen hun leaseauto houden.

Bespiegelingen

Over het voornemen om leaseauto’s in te nemen is in het verleden meermaals geprocedeerd. In al die gevallen – of het nu ging om een individuele of collectieve leaseafspraak, of er nu wel of geen eenzijdig wijzigingsbeding was overeengekomen en ongeacht de rechtsgrondslag van het wijzigingsvoornemen – liepen de corresponderende rechtszaken in de regel goed af voor de betrokken werknemers. Voorbeelden van rechtszaken waarin rechters de werknemers in het gelijk hebben gesteld zijn de volgende: 

  • Rechtbank ‘s-Hertogenbosch 11 november 2004, JAR 2005/3 (privégebruik van een leaseauto is een secundaire arbeidsvoorwaarde, niet zijnde een loonbestanddeel);
  • Rechtbank Utrecht 27 april 2005, ECLI:NL:RBUTR:2005:AT6312 en JAR 2005/139 (eenzijdig wijzigingsbeding in de zin van artikel 7:613 BW. Geen zwaarwichtig belang aan de zijde van werkgever);
  • Rechtbank Den Haag 27 juni 2005, JAR 2005/237 (Troost/KPN);
  • Rechtbank Arnhem 3 augustus 2005, ECLI:NL:RBARN:2005:AU1144 (leaseauto is afgesproken uitsluitend in het kader van onderhandelingen omtrent de arbeidsvoorwaarden);
  • Rechtbank Haarlem 5 december 2007, ECLI:NL:RBHAA:2007:BC0347 (werknemer heeft op grond van een daartoe met de werkgever gesloten overeenkomst recht op een autokostenvergoeding);
  • Rechtbank Utrecht 12 oktober 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BV3038 (eenzijdig wijzigingsbeding in de regeling waarin ook de arbeidsvoorwaarde was toegekend. Geen zwaarwichtig belang werkgever);
  • Gerechtshof Amsterdam 18 oktober 2011, JAR 2011/291 (eenzijdige wijziging van een leaseautoregeling en de wijze waarop de COR door de werkgever bij de wijziging is betrokken). Zie ook “Inleveren die leaseauto. Kan dat zomaar?”;
  • Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 27 december 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BV0736 (door voor het verlies van die beloningscomponent geen enkele compensatie te bieden, bijvoorbeeld in de vorm van een redelijke vergoeding per maand eventueel met een afbouwend karakter, kan niet gezegd worden dat het belang van de werkgever bij afschaffing van de regeling zodanig zwaarwichtig is dat daarvoor het belang van de werknemer (het privégebruik van de auto dat immers door deze wijziging wordt weggenomen), naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dient te wijken);
  • Rechtbank Haarlem 9 februari 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BV3628 en RAR 2012/68 (de wens van de werkgever om na een (niet wegens bedrijfseconomische redenen) fusie de arbeidsvoorwaarden te harmoniseren, is onvoldoende zwaarwegend);
  • Rechtbank Leeuwarden 1 augustus 2012, ECLI:NL:RBLEE:2012:BX3980 en RAR 2012/153 (werkgever heeft geen voldoende zwaarwichtig belang bij wijziging autoregeling);
  • Gerechtshof Amsterdam 11 december 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:3642 (werkgever mag er niet mee ophouden een leaseauto aan werknemers te verstrekken);
  • Gerechtshof Amsterdam 2 april 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ6963 en JAR 2013/137;
  • Rechtbank Midden-Nederland 17 juli 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:3096 (werkneemster heeft er naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat de leaseauto tot haar arbeidsvoorwaarden is gaan behoren en dat zij na afloop van het eerste leasecontract recht heeft op behoud van een leaseauto).

Uit de hiervoor weergegeven rechtspraak volgt dat verschillende criteria van belang zijn voor rechters in hun belangenafweging. Argumenten voor rechters om werknemers in het gelijk te stellen zijn:

  1. het opwekken van gerechtvaardigd vertrouwen bij de werknemer van behoud van de leaseauto;
  2. het op een wervende manier ter beschikking stellen van een leaseauto;
  3. het ontbreken van een financiële noodzaak voor het afnemen van een leaseauto, en/of
  4. geen of onvoldoende (financiële)compensatie aanbieden voor het verlies van de leaseauto.

Voorbeelden van uitspraken waarin de werkgever de leaseauto wél mocht innemen, zijn de volgende:

  • Kantonrechter Amersfoort 4 september 2006, JAR 2006/246;
  • Rechtbank Den Haag 28 september 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:BG0271 en RAR 2007/8;
  • Rechtbank Breda 10 oktober 2007, ECLI:NL:RBBRE:2007:BB5568 (werkgever kan met vrucht een beroep doen op het in artikel 1 van de bedrijfsautoregeling opgenomen eenzijdig wijzigingsbeding);
  • Rechtbank Utrecht 13 augustus 2008, ECLI:NL:RBUTR:2008:BE0070 en JAR 2008/261 (arbeidsovereenkomst; leaseauto; eenzijdige wijziging; afbouwregeling; goed werknemerschap; zwaarwichtige reden);
  • Gerechtshof Arnhem 8 september 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BL1049 (alles afwegende is het hof van oordeel dat werkgever een zodanig zwaarwichtig belang heeft bij het wijzigen van de leaseautoregeling dat het belang van werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken);
  • Rechtbank Arnhem 15 juli 2010, ECLI:NL:RBARN:2010:BN1498 (ontbinding arbeidsovereenkomst door weigering in te stemmen met redelijk voorstel werkgever om wegens slechte bedrijfseconomische omstandigheden de "auto van de zaak" die hij door functiewijziging voor zijn werk niet meer nodig heeft, in te leveren).

Overige omstandigheden

Los van de hiervoor weergegeven gevallen kan er ook sprake zijn van langdurige afwezigheid van een werknemer, bijvoorbeeld wegens ziekte. Onder die omstandigheid zou een leaseauto ook (tijdelijk) ingenomen kunnen worden. Zo kwam de kantonrechter Utrecht tot het oordeel dat de leaseauto moest worden ingeleverd in een situatie waarin de werknemer al een half jaar ziek was en er geen uitzicht bestond op werkhervatting. Ook is het mogelijk dat de leaseregeling wordt aangepast of versoberd wegens disfunctioneren van de werknemer. Zo overwoog het gerechtshof te Den Haag dat het normbedrag voor de leaseauto verlaagd mocht worden in een dergelijk geval (gerechtshof Den Haag 18 mei 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BM8974 en JIN 2010/177).

Conclusie

De conclusie op grond van het voorgaande is dat de werkgever niet eenvoudig een leaseautoregeling eenzijdig kan beëindigen, zelfs niet met een eenzijdig wijzigingsbeding. Niettemin zijn er wel degelijk uitspraken bekend waarin de rechter een wijziging van de leaseregeling heeft toegestaan. In die gevallen – bij  een economische noodzaak, bij langdurige afwezigheid of bij disfunctioneren – is het steeds belangrijk gebleken om de argumenten voor inneming van de leaseauto goed te onderbouwen, waar nodig de ondernemingsraad aan boord te krijgen en om de werknemer op een fatsoenlijke manier tegemoet te komen in het nadeel dat de werknemer lijdt door inneming van zijn leaseauto.

Yves Janssen
24 september 2015

Meer artikelen over de volgende rechtsgebieden: