Let op opeisbaarheid en verjaring van je kindsdeel

29 augustus 2016

Het kindsdeel

Sinds 2003 kent het erfrecht de wettelijke verdeling. Daarbij worden alle goederen van een nalatenschap volledig toegedeeld aan de langstlevende echtgenoot, die ook alle schulden van de nalatenschap dient te voldoen. De kinderen krijgen dan een vordering in geld op hun langstlevende ouder. Die vordering is alleen opeisbaar als vader of moeder overlijdt, failliet verklaard wordt of in de schuldsanering komt, of in andere gevallen die het testament noemt. Vóór 2003 moest een dergelijke ‘ouderlijke boedelverdeling’ bij testament gemaakt worden. Ook dan kon bepaald worden in welke gevallen de vordering van de kinderen op de langstlevende echtgenoot opeisbaar zou worden.

Als zich vóór overlijden van de langstlevende ouder een geval voordoet dat tot opeisbaarheid van de vordering tot betaling van het kindsdeel leidt, wil dat nog niet zeggen dat die vordering op dat moment ook voldaan móet worden. Het kind kan de vordering dan opeisen, maar hoeft dat uiteraard niet.

Verjaring vordering kindsdeel

Wél is het van belang, zo is onlangs nog eens gebleken, om je te realiseren dat de vordering tot betaling van je kindsdeel onderhevig is aan verjaring. De verjaring van de vordering tot betaling van een kindsdeel begint te lopen op het moment dat een geval van opeisbaarheid zich voordoet. De vordering verjaart vervolgens als er daarna twintig jaar lang niets mee gedaan wordt. Dat was het geval in de zaak waarin de rechtbank in Leeuwarden onlangs vonnis gewezen heeft.

Het ging om een dochter van wie de moeder in 1993 overleden was. Moeder had bij testament een ouderlijke boedelverdeling gemaakt en daarin onder meer bepaald dat het kindsdeel van de dochter ook opeisbaar zou zijn wanneer vader ongehuwd zou gaan samenwonen. En dat deed vader, in 1994. Hij was in dat jaar ingetrokken bij zijn vriendin, zoals uit de gemeentelijke basisadministratie ook bleek. Toen vader twintig jaar later overleed, bleek dat hij zijn dochter – met wie hij sinds het overlijden van moeder geen contact meer had - onterfd had en zijn vriendin tot enige erfgenaam benoemd had. Tot die vriendin wendde de dochter zich in de loop van 2014: zij deed niet alleen een beroep op haar legitieme portie in de nalatenschap van haar vader, maar eiste ook haar kindsdeel uit de nalatenschap van haar moeder op.

Dat was te laat, zo verweerde de vriendin van vader zich, en met succes. Moeder had immers bij testament bepaald – en zij mocht dat volgens de rechtbank ook – dat de vordering van dochter opeisbaar zou worden als vader zou gaan samenwonen. Sinds vader was gaan samenwonen en de vordering van dochter tot betaling van het kindsdeel aldus opeisbaar geworden was, waren er twintig jaar verstreken, zonder dat de verjaring gestuit was. Daarmee was de vordering verjaard. Dat de dochter stelde dat zij er niet van op de hoogte was dat haar vader in 1994 was gaan samenwonen omdat haar vader dat verzwegen had, deed daar niets aan af. Als gevolg van de verjaring was voldoening van het kindsdeel niet meer in rechte af te dwingen. De vordering van dochter werd dus afgewezen en zij werd veroordeeld om de proceskosten van haar ‘stiefmoeder’ te vergoeden.

Conclusie: weet wanneer opgeëist kan worden en stuit tijdig

Het is dus van groot belang dat voor een kind duidelijk is in welke gevallen het kindsdeel opgeëist kan worden. Niet omdat die vordering in die gevallen per se meteen moet worden opgeëist bij de langstlevende vader of moeder, maar wel omdat een kind zich ervan bewust moet zijn dat de verjaringstermijn vanaf dat moment begint te lopen. Als een kind wil voorkomen dat zijn vordering tot betaling van het kindsdeel verjaart, zal die verjaring gestuit moeten worden voordat er twintig jaar verstreken nadat zich een geval van opeisbaarheid heeft voorgedaan. Met een stuiting wordt voorkomen dat betaling van het kindsdeel niet meer in rechte afgedwongen kan worden.

Koen Boddaert
29 augustus 2016 

 

Meer artikelen over de volgende rechtsgebieden: