De bevoegdheid van de bank om de financiering op te zeggen

06 oktober 2017

In de afgelopen periode zijn enkele uitspraken gedaan in zaken waarin de huisbank de financiering van een onderneming heeft opgezegd. In die gevallen waren verschillende partijen van mening dat dit niet terecht en dus onrechtmatig was. Zij stelden de bank aansprakelijk. De uitspraken laten een bepaald beeld zien en geven enige duidelijkheid over de vraag of een bank 'zomaar' mag opzeggen ja of neen. Een korte inkijk.

De reguliere kredietovereenkomst kent doorgaans geen bepaalde looptijd. Het is daarom dus een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd zoals bijvoorbeeld een huurovereenkomst dat normaal gesproken ook is. Doorgaans zal de overeenkomst zelf aangeven onder welke omstandigheden de bank deze kan beëindigen. Onder die omstandigheden mag de bank dus opzeggen. Maar desalniettemin moet de opzegging nog voldoen aan de eisen van redelijkheid en billijkheid. Dit maakt dat de bank wellicht naar de letter van het contract wel mag opzeggen, maar door de omstandigheden van het geval dat in concreto niet mag. De rechtspraak geeft overigens wel aan dat de rechter terughoudend moet zijn in de toets die hij/zij aanlegt. 

In een uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van eind 2016 ging het om de opzegging om reden dat de bank moest vrezen dat er onvoldoende verhaal zou zijn voor haar vorderingen. Met andere woorden, heeft de bank genoeg aan zekerheden en kan de onderneming blijven betalen. Het hof vond dat de bank niet had mogen opzeggen. Op grond van haar zorgplicht had zij zich meer moeten verdiepen in de situatie en actief informatie in moeten winnen. Dan had zij, zo het hof, geweten dat er inmiddels serieus werd gesproken met een mogelijke investeerder. Door toch op te zeggen heeft de bank te snel en onzorgvuldig gehandeld. Een belangrijke vingerwijzing voor banken en allen die met banken in dergelijke zwaar weer situaties in overleg zijn.

Overigens ging de directeur aandeelhouder die de bank aanklaagde met lege handen naar huis. Een waardevermindering van aandelen is nu eenmaal alleen in heel uitzonderlijke gevallen verhaalbaar. De directeur had zich ook hoofdelijk verbonden voor de schulden van de onderneming. Toch heeft hij niets aan de uitspraak van het hof. Deze redeneert namelijk dat als de bank wel geldig had opgezegd, de directeur ook had moeten betalen. Dat is nu eenmaal het gevolg van de afspraak met de bank die hij maakte en niet van de onjuiste opzegging. Juridisch juist. Maar het wringt.

In een zaak die in juni 2016 speelde bij de rechtbank Den Haag, kwam de rechter ook tot het oordeel dat de bank niet of nog niet had mogen opzeggen. Hiernaast is er een periode van ruim een half jaar onder bijzonder toezicht van de bank aan vooraf gegaan. Daarna eiste de bank binnen veertien dagen het krediet op. Het faillissement was nu onafwendbaar. De bank had, zonder rechter, de opzegtermijn van drie maanden moeten hanteren. In de schadezaak was de vraag of de onderneming binnen die drie maanden gered had kunnen worden. Zo neen, dan is er geen schade stelde de bank. Toch achtte de rechter de fout van de bank dusdanig dat er voldoende verband bestond met de schade, het tekort in faillissement. Ondanks dat onduidelijk was of de onderneming gered had kunnen worden, moest de bank de helft van de schade vergoeden.

Ook uit een uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van januari dit jaar blijkt dat de kans van slagen voor de onderneming van belang is voor de vraag welke schade betaald moet worden. Ook hier stond vast dat de bank te snel tot opzegging was overgegaan. Maar, in welke mate had de onderneming het überhaupt kunnen redden? Er lag een deskundigenrapport dat aangaf dat er een gerede overlevingskans was. Het hof wil echt meer gegevens en gelast een zitting om een en ander verder te onderzoeken. Opvallend is dat ook hier het hof vond dat de bank, ondanks de contractuele bevoegdheid, niet had mogen opzeggen.

Afbeelding: 
de bevoegdheid van de bank om de financiering op te zeggen