Decharge bestuurder voor onterechte dividenduitkering mogelijk?

13 januari 2017

Op grond van artikel 2:216 lid 2 BW heeft een dividendbesluit van de algemene vergadering van aandeelhouders in een B.V. geen gevolgen zolang het bestuur geen goedkeuring heeft verleend. Het bestuur moet die goedkeuring weigeren als het weet of redelijkerwijs moet voorzien dat de vennootschap na de uitkering van het dividend haar opeisbare schulden niet meer kan betalen.

Op grond van het derde lid van deze bepaling zijn de bestuurders (die ten tijde van de dividenduitkering wisten of behoorden te voorzien dat de vennootschap de vennootschap na de uitkering haar opeisbare schulden niet meer kan betalen) hoofdelijk aansprakelijk tegenover de vennootschap voor het tekort dat door de dividenduitkering is ontstaan. Kan deze aansprakelijkheid worden ontweken door het geven van decharge door de algemene vergadering? Ook als de bestuurder tevens enig aandeelhouder van de BV is? De rechtbank Gelderland heeft in een vonnis van 16 maart 2016 besloten dat decharge ook kan zien op de aansprakelijkheid van de bestuurders uit hoofde van artikel 2:216 lid 3 BW.

Een decharge bevrijdt een bestuurder van zijn aansprakelijkheid jegens de vennootschap voor zover het informatie betreft die uit de jaarrekening blijkt of anderszins aan de algemene vergadering van aandeelhouders (dus niet aan de individuele aandeelhouders buiten de vergadering) is bekendgemaakt. Volgens de Hoge Raad ziet dat ook op handelingen van bestuurders waarmee die bestuurders opzettelijk of onzorgvuldig nadeel hebben toegebracht aan de vennootschap. Als de bestuurder dus tijdens de algemene vergadering zijn zonden opbiecht en de aandeelhouders hem vervolgens decharge verlenen, valt zijn handelen dus onder die decharge. Het lijkt erop dat een bewust gegeven decharge door persoon A in zijn hoedanigheid van enig aandeelhouder tijdens de aandeelhoudersvergadering (vastgelegd in de notulen) voor “foute” bestuursdaden door dezelfde persoon A in zijn hoedanigheid van bestuurder mogelijk is. Dus ook voor een onterechte dividenduitkering.

Wel bestaat de mogelijkheid dat een curator ook bij een decharge als bovengenoemd de dividenduitkering vernietigt met een beroep op de pauliana. Bij een verplichte rechtshandeling is dat slechts mogelijk als het faillissement is aangevraagd op het moment van de dividenduitkering dan wel als de curator samenspanning kan bewijzen. Bij een onverplichte rechtshandeling is vernietiging mogelijk als er sprake is van benadeling van crediteuren.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 23 september 2016 bepaald dat een dividenduitkering een onverplichte rechtshandeling is én een rechtshandeling om niet. Met als gevolg dat wetenschap van benadeling van crediteuren bij de ontvangende partij niet hoeft te worden bewezen door de curator. En als de dividenduitkering heeft plaatsgevonden binnen één jaar voor het faillissement, wordt de benadeling van crediteuren vermoed (tegenbewijs is mogelijk) als de ontvangende aandeelhouder rechtstreeks of middellijk ten minste 50% van de aandelen bezit.

Meer artikelen over de volgende rechtsgebieden: