Is een niet-wijzigingsbeding bij kinderalimentatie geldig?

09 januari 2020

Al jaren bestaat er in de literatuur en rechtspraak onduidelijkheid over de vraag of je mag afspreken dat kinderalimentatie niet gewijzigd mag worden. In geval van partneralimentatie is een dergelijke afspraak geldig, maar of een dergelijke afspraak ook geldig is bij kinderalimentatie was lange tijd onduidelijk. Aan deze onduidelijkheid is nu met dank aan de rechtbank Oost-Brabant een einde gekomen.

Deze rechtbank diende onlangs te beslissen over een zaak waarbij de vrouw – ondanks de tussen de vrouw en haar ex-man gemaakte afspraak dat in geval van een inkomensstijging aan de zijde van de man de door hem te betalen kinderalimentatie niet zou worden gewijzigd – een verzoek tot verhoging van de kinderalimentatie had ingediend omdat het inkomen van de man was toegenomen. De man beriep zich op het niet-wijzigingsbeding. De rechtbank besloot vanwege de onduidelijkheid over de rechtsgeldigheid van een niet-wijzigingsbeding in geval van kinderalimentatie prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. Een prejudiciële vraag is een rechtsvraag van een rechter aan een hoger gerecht (bijvoorbeeld de Hoge Raad) betreffende de uitleg van een rechtsregel. De rechtbank vroeg aan de Hoge Raad of een niet-wijzigingsbeding in geval van kinderalimentatie geldig is en zo ja, of een dergelijk beding ook geldig is indien – zoals in deze casus – ten nadele van de alimentatiegerechtigde wordt afgeweken van de wettelijke maatstaven. Zie uitspraak.

De Hoge Raad stelt voorop dat de contractsvrijheid van ouders bij het maken van afspraken over kinderalimentatie wordt begrensd door de dwingendrechtelijke regel dat de kinderalimentatie ten minste moet voldoen aan de wettelijke maatstaven (behoefte en draagkracht). Een rechter dient dus zelfstandig te oordelen over de gemaakte afspraken met inachtneming van de wettelijke maatstaven en is daarbij niet gebonden aan de tussen de ouders gemaakte afspraken over de kinderalimentatie.

Vervolgens stelt de Hoge Raad dat als een niet-wijzigingsbeding inhoudt dat een toename van de draagkracht van de alimentatieplichtige of een toename van de behoefte van het kind niet kan leiden tot een hogere kinderalimentatie, het beding nietig is. In de wet is namelijk dwingendrechtelijk bepaald dat iedere ouder ten minste verplicht is naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn/haar minderjarige kinderen. De tussen de ouders gemaakte afspraak in de casus die leidde tot deze prejudiciële vragen is dus volgens de Hoge Raad niet geldig, omdat de ouders hadden afgesproken dat een hoger inkomen van de man niet zou kunnen leiden tot een hogere kinderalimentatie.

Een niet-wijzigingsbeding ten gunste van de alimentatiegerechtigde is volgens de Hoge Raad daarentegen wel geldig. Ouders mogen dus wel afspreken dat een verlaging van de draagkracht (bijvoorbeeld als gevolg van een inkomensdaling) of een verlaging van de behoefte van het kind niet kan leiden tot een wijziging van de kinderalimentatie. Door een dergelijke afspraak wordt immers niet afgeweken van de dwingendrechtelijke bepaling dat ouders ten minste naar draagkracht moeten voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun kind(eren). De Hoge Raad merkt in dit verband wel op dat als de alimentatieplichtige ouder nog onderhoudsplichtig is ten aanzien van kinderen uit een ander huwelijk of relatie, de afspraak dat ingeval van een verlaging van de draagkracht van deze ouder de alimentatie niet kan worden gewijzigd, wel in strijd kan zijn met eerder genoemde dwingendrechtelijke wettelijke bepaling. Ook in de kosten van verzorging en opvoeding van deze andere kinderen dient deze ouder immers ten minste naar draagkracht te voorzien.

Imke Vorbach
9 januari 2020

Afbeelding: 
niet-wijzigingsbeding kinderalimentatie
Meer artikelen over de volgende rechtsgebieden: