Het belang van een juiste ingebrekestelling

03 oktober 2012

Wanneer uw contractuele wederpartij zijn verplichtingen niet nakomt, zult u de daardoor geleden schade vergoed willen zien, of de overeenkomst willen ontbinden zodat u met iemand in zee kunt die wel deugdelijk presteert. Daarvoor is in de regel vereist dat de tekortschietende wederpartij in verzuim is. En om een wederpartij in verzuim te laten zijn, is dikwijls vereist dat eerst een deugdelijke ingebrekestelling verstuurd wordt. En daar gaat het geregeld mis.

Een ingebrekestelling is een schriftelijke aanmaning waarbij een redelijke termijn gesteld wordt voor de nakoming. Het heeft dus geen zin om de wanpresterende wederpartij mondeling mee te delen dat hij nog een week de tijd krijgt om alsnog na te komen, ook niet als daar veel getuigen bij zijn die het bewijs van die mededeling zouden kunnen leveren. Een mondelinge aanmaning is immers geen ingebrekestelling als bedoeld in de wet. Ook een brief aan de wederpartij waarin staat: ”Ik stel u hierbij in gebreke”, voldoet niet aan de wettelijke vereisten van een ingebrekestelling. Het is immers pas een ingebrekestelling, wanneer de wederpartij een redelijke termijn gesteld wordt om alsnog na te komen.

Wanneer een ingebrekestelling niet voldoet aan de wettelijke vereisten, kan dat vergaande consequenties hebben. Alleen al door niet de juiste woorden te gebruiken in de brief aan de wederpartij, zou u een schadevergoeding kunnen mislopen, of zou u gebonden blijven aan de (betalings)verplichtingen uit een overeenkomst die u vanwege tekortkomingen door de wederpartij had willen ontbinden. Voorbeelden in de rechtspraak van onjuiste ingebrekestellingen en dergelijke nadelige gevolgen zijn legio.

Een daarvan is die waarover het gerechtshof Den Haag onlangs oordeelde (www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BX7332). Een schilder had volgens de opdrachtgever prutswerk geleverd en de opdrachtgever wilde de schade die hij daardoor geleden had, vergoed zien. Hij schreef de schilder naar aanleiding van geconstateerde gebreken in het werk een brief waarin hij verzocht te bevestigen dat er een garantie op het werk gegeven was. Die bevestiging gaf de schilder niet, waarna de opdrachtgever enkele duizenden euro’s aan schadevergoeding vorderde. Die vordering werd afgewezen. De schilder was immers niet aangemaand om binnen een redelijke termijn tot herstel over te gaan, zodat van een ingebrekestelling geen sprake was, de schilder niet in verzuim geraakt was en de opdrachtgever aldus geen recht op schadevergoeding had. Het belang van een juiste ingebrekestelling is daarmee weer eens onderstreept.