Rechter: advocaten moeten zich doodschamen voor kleuterruzie in de zandbak

09 januari 2014

Misschien leuk om het nieuwe jaar mee te beginnen: een vonnis waarin een rechter zich volledig laat gaan, door tekeer te gaan tegen partijen én hun advocaten die in zijn ogen op kosten van de maatschappij onzinnige procedures voeren over niets. Het ging daarbij om de volgende casus.

A heeft een bedrag van € 675,00 te vorderen van B, terwijl A spullen die in eigendom toebehoren aan B onder zich houdt. B betaalt A niet en A weigert de spullen terug te geven. Beide partijen wenden zich tot de rechtbank Overijssel: A vordert betaling van € 675,00 plus rente en kosten en B vordert afgifte van zijn eigendommen. Beide partijen procederen op basis van een toevoeging. Dat wil zeggen: de kosten van hun advocaat worden, op een eigen bijdrage en het griffierecht na, door de staat vergoed. De kantonrechter van de rechtbank Overijssel wijst uiteindelijk beide vorderingen toe: B moet A € 1.000,00 betalen en A moet de spullen van B teruggeven aan B, op straffe van dwangsommen tot een maximum van € 500,00. Geschil opgelost, zou je denken. Maar het liep anders. B gaf A namelijk te kennen dat hij niet (in een keer) aan zijn betalingsverplichting kon voldoen.

Je kunt als A dan twee dingen doen: afwachten wanneer B wél een keer zal gaan betalen, of het vonnis ten uitvoer leggen. A besloot tot het laatste: hij had een executoriale titel die was afgegeven door de rechtbank en hij was niet bereid om nog langer te wachten tot B een keer iets zou kunnen betalen. Hij liet het vonnis dus ten uitvoer leggen: ter uitwinning van de vordering op B en om ervoor te zorgen dat hij, ondanks het vonnis, de spullen niet af zou hoeven geven zolang B niet betaald had, legde hij executoriaal verhaalsbeslag op de spullen van B die hij onder zich had.

Daar liet B het dan weer niet bij zitten. Hij wilde zijn spullen terug en daar had hij volgens het vonnis ook recht op. B liet het vonnis betekenen aan A en stelde zich op het standpunt dat A, door de spullen niet terug te geven, de maximale dwangsommen verbeurd had. Daardoor was B nog maar (€ 1.000,00 - € 500,00 =) € 500,00 verschuldigd aan A. Die kon hij wél betalen, en die betaalde hij ook. A – die met een beroep op het beslag vond dat hij geen dwangsommen verschuldigd was – bleef echter weigeren de spullen terug te geven aan B, zolang niet het volledige bedrag van € 1.000,00 betaald was. En wat moet B dan?

Ook B besloot de rechtsmiddelen aan te wenden die de wet hem bieden. Hij wendde zich tot de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, met (onder meer) de vordering tot opheffing van het door A gelegde executoriale beslag. En toen flipte de voorzieningenrechter. Hij vond dat partijen op kosten van de staat onzinnige procedures aan het voeren waren in plaats van “simpelweg het vonnis uit te voeren” en ontstak in een soort blinde woede. Hij kwalificeerde partijen als “ruziënde kleuters in een zandbak” die zich op kosten van de staat in onzinnige procedures lieten bijstaan door advocaten die zich daar “dood voor zouden moeten schamen”. De voorzieningenrechter zou het liefste (zoals dat vroeger kon) de toevoegingen vernietigd hebben zodat “aan het hier betoonde gechicaneer minder overheidsgelden worden verspild en partijen en hun advocaten op die manier de zure vruchten zouden plukken van hun onbehoorlijk gedrag”.

Een zekere amusementswaarde heeft het wel, zo’n vonnis van een emotionele rechter. Zijn vonnis heeft wel geleid tot wéér een nieuwe procedure: door een van de advocaten is een klacht tegen de voorzieningenrechter ingediend.

Uitspraak: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2013:2966

Meer artikelen over de volgende rechtsgebieden: