Tijdig aangemaand, maar vordering toch verjaard

11 april 2013

Eens in de zo veel tijd komt er een gerechtelijke uitspraak voorbij, waarvan je denkt: “Die kán niet kloppen”. Zo’n uitspraak is www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BY2198 van de rechtbank te Arnhem. De rechtbank oordeelde in die casus over een vordering waarvan de gedaagde partij stelde dat die verjaard was.

Een vordering tot betaling van een geldsom verjaart na het verstrijken van een termijn van vijf jaar nadat de vordering opeisbaar geworden is. Doe je als schuldeiser in die vijf jaar niets, dan is de vordering niet meer in rechte af te dwingen. Dat is te voorkomen door binnen de termijn van vijf jaar de verjaring te stuiten. Dat kan door binnen de verjaringstermijn een procedure te entameren, maar ook met een schriftelijke aanmaning óf (bijvoorbeeld als je in onderhandeling met elkaar bent en dus niet tegelijkertijd gaat aanmanen) een schriftelijke mededeling waarin je je ondubbelzinnig het recht op nakoming voorbehoudt.

In de casus waarover de rechtbank Arnhem zich gebogen had, was een geldvordering opeisbaar geworden op 17 december 2006. De procedure was aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 maart 2012, dus dat was als stuitingshandeling te laat. Daarvóór waren echter, zo stelde de rechtbank ook vast, aanmaningen verstuurd, onder meer bij brief van 26 februari 2008. In die aanmaning was te lezen: “Ik verzoek en zonodig sommeer u dan ook over te gaan tot betaling van het verschuldigde bedrag per 31 december 2007.”. Je zou denken dat met deze schriftelijke aanmaning de verjaring tijdig gestuit is.

De rechtbank dacht daar anders over. Volgens de rechtbank is de bedoeling van een stuiting dat de schuldenaar voldoende wordt gewaarschuwd dat het afwijzen van het voorstel (?) ook na verloop van de verjaringstermijn nog tot een rechtsvordering kan leiden, zodat de schuldenaar er rekening mee kan houden dat hij de beschikking behoudt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijk alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren. De rechtbank verwijst daarbij naar drie arresten van de Hoge Raad. Wat de rechtbank echter miskent, is dat het in die arresten niet over aanmaningen ging, maar over de andere wijze van buitengerechtelijke stuiting: de schriftelijke mededeling waarin ondubbelzinnig het recht op nakoming voorbehouden wordt. Bij een stuitingshandeling van die aard gaat het erom dat de schuldenaar voldoende gewaarschuwd wordt dat hij ook na het verstrijken van de verjaringstermijn gegevens en bewijsmiddelen beschikbaar houdt, voor het geval alsnog een rechtsvordering wordt ingesteld.

In deze casus waren echter gewoon aanmaningen verstuurd. De strekking daarvan is duidelijk: er moet betaald worden en wel nu. Daarmee stuit je toch echt de verjaring van een vordering tot betaling van een geldsom. Van het vonnis van de rechtbank is de schuldeiser terecht in hoger beroep gegaan.

Meer artikelen over de volgende rechtsgebieden: