Vervangende toestemming inenting minderjarige

01 oktober 2018

In Nederland kiezen de meeste ouders ervoor om hun kind te laten inenten volgens het rijksvaccinatieprogramma zoals dat door het consultatiebureau wordt aangeboden. De groep ouders die ervoor kiest om hun kind niet te laten deelnemen aan dit programma groeit echter. Deze keuze kan zijn ingegeven door religieuze overwegingen, maar de laatste jaren lijkt angst voor mogelijke (ernstige) bijwerkingen van de vaccinaties een steeds grotere rol te spelen bij de keuze om een kind niet te laten vaccineren.

Zo ook in een geschil dat recent ter beoordeling werd voorgelegd aan de rechtbank Amsterdam. In deze zaak waren de ouders van het betreffende kind niet meer bij elkaar en zij verschilden van mening over het al dan niet laten inenten van hun dochtertje. De vader wilde dat het kind volgens het rijksvaccinatieprogramma zou worden ingeënt, maar de moeder was het daar niet mee eens. Volgens de moeder zou er geen dwingende noodzaak zijn om een baby te laten inenten en zou het juist beter zijn om het immuunsysteem van het kind zelf tot ontwikkeling te laten komen. Ook vreesde de vrouw voor schadelijke gevolgen voor het kind.

Omdat in deze zaak beide ouders het gezag over hun kind uitoefenen, ontstond er dus een geschil over de uitoefening van het gezag. De wet biedt de mogelijkheid om in een dergelijk geval dat geschil ter beslechting aan de rechtbank voor te leggen. In dit geval werd door de vader een verzoek ingediend bij de rechtbank om hem vervangende toestemming te verlenen om het kind te laten inenten volgens het rijksvaccinatieprogramma.

De rechtbank oordeelde dat deelname aan het rijksvaccinatieprogramma in het belang van het kind is. Dit programma heeft namelijk als doel om (jonge) kinderen te beschermen tegen schadelijke ziekten. Hoewel de rechtbank bekend is met de kritische geluiden ten aanzien van het rijksvaccinatieprogramma, stelde de rechtbank dat het gevoerde overheidsbeleid op dit gebied door medici breed wordt gedragen en dat het overgrote deel van de bevolking dit beleid steunt en kiest voor deelname. Nu er niet is gesteld of gebleken dat dit kind meer risico op bijwerkingen zou lopen dan een gemiddeld kind, oordeelde de rechtbank het laten vaccineren van de baby volgens het rijksvaccinatieprogramma het meest in haar belang. De rechtbank verleende de vader dus vervangende toestemming om zijn dochter te laten deelnemen aan het rijksvaccinatieprogramma.

Deze uitspraak staat niet op zich zelf. In vergelijkbare zaken werd deelname aan het rijksvaccinatieprogramma al door rechters in het belang van het kind geoordeeld. Hoewel onlangs in het nieuws kwam dat de vaccinatiegraad in Nederland opnieuw (licht) is gedaald, waardoor artsen zich zorgen maken over een toenemend risico op de uitbraak van ernstige infectieziekten, blijkt uit de rechtspraak dat rechters het vaak in het belang van het kind achten dat het wordt ingeënt volgens het rijksvaccinatieprogramma.

Afbeelding: 
vervangende toestemming inenting minderjarige
Meer artikelen over de volgende rechtsgebieden: