Voorlopige schorsing partneralimentatie tijdens wijzigingsprocedure

13 januari 2017

Onlangs is door de rechtbank Oost-Brabant een verzoek tot voorlopige nihilstelling van de partneralimentatie voor de duur van de wijzigingsprocedure toegewezen.

In deze zaak waren partijen in 2010 gescheiden en moest de man – na een eerdere wijzigingsprocedure – ruim € 3.000,00 partneralimentatie per maand betalen aan zijn ex-vrouw. De man stelde de door hem verschuldigde alimentatie niet meer te kunnen betalen als gevolg van een wijziging van omstandigheden en startte een nieuwe wijzigingsprocedure. Omdat het echter (zoals gebruikelijk) nog wel enkele maanden zal gaan duren voordat de rechter een beslissing neemt op het verzoek van de man en omdat de vrouw weigerde in te stemmen met een tijdige opschorting van de betalingsverplichting in afwachting van het oordeel van de rechtbank, zou de man nog enkele maanden de alimentatie moeten doorbetalen om te voorkomen dat de vrouw het LBIO of de deurwaarder zou inschakelen om incassomaatregelen te nemen. De man voorzag in een financiële noodsituatie terecht te komen en verzocht daarom de rechtbank om krachtens het bepaalde in artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de op hem rustende alimentatieverplichting zou worden opgeschort in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure (de wijzigingsprocedure).

Hoewel artikel 23 Rv eigenlijk is geschreven voor dagvaardingsprocedures, is eerder al door de Hoge Raad bepaald dat dit artikel ook kan worden toegepast in verzoekschriftprocedures. Allereerst werd door de rechter beoordeeld of de man ontvankelijk was in zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Daarvoor gelden twee voorwaarden:

  1. voldoende belang bij het verzoek;
  2. de gevraagde voorziening moet samenhangen met het verzoek in de bodemprocedure.

De rechter oordeelde dat aan beide voorwaarden werd voldaan. Vervolgens kwam de rechter toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de man. Allereerst diende te worden beoordeeld of de man een voldoende spoedeisend belang had bij de door hem verzochte voorlopige voorziening. Omdat de rechter het aannemelijk achtte dat de man in een financiële noodsituatie zou komen indien hij de uitkomst van de bodemprocedure zou moeten afwachten, oordeelde de rechter dat de man voldoende spoedeisend belang had bij de door hem verzochte voorziening. Vervolgens diende de rechter te onderzoeken of toewijzing van het verzoek in de bodemprocedure voldoende aannemelijk is. Tussen partijen stond vast dat de arbeidsovereenkomst van de man per 30 oktober 2015 was opgezegd dat de man na zijn ontslag een opzeggingsvergoeding had gekregen die inhield dat zijn loon nog tot medio november 2016 zou worden doorbetaald, waarna hij een WW-uitkering zou gaan ontvangen die nog lager lag dan de door de man te betalen partneralimentatie. Gelet daarop concludeerde de rechter in de voorlopige voorziening dat het wijzigingsverzoek van de man in de bodemprocedure “met een grote mate van waarschijnlijkheid, in ieder geval gedeeltelijk, zal worden toegewezen”, waardoor de rechter bij wijze van voorlopige voorziening de door de man verschuldigde partneralimentatie voor de duur van de wijzigingsprocedure op nihil stelde.

Of de door de man te betalen partneralimentatie in de bodemprocedure ook daadwerkelijk op nihil zal worden gesteld, is nog de vraag. Voorlopig hoeft de man zich echter geen zorgen te maken en kan hij rustig het oordeel van de bodemrechter afwachten, al valt niet uit te sluiten dat de man alsnog – al dan niet met terugwerkende kracht – alimentatie aan de vrouw zal moeten gaan betalen.

Meer artikelen over de volgende rechtsgebieden: