Wet opheffing verpandingsverboden

07 juli 2020

Ons huidige Burgerlijk Wetboek staat toe dat bedrijven met elkaar afspreken dat vorderingen niet mogen worden overgedragen en niet mogen worden verpand. In artikel 3:83 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek staat vermeld: 

De overdraagbaarheid van vorderingsrechten kan ook door een beding tussen schuldeiser en schuldenaar worden uitgesloten.”

Dit artikel is (op grond van artikel 3:98 BW) van overeenkomstige toepassing op de vestiging, de overdracht en de afstand van een beperkt recht, zoals een pandrecht.

Van het recht om af te spreken dat (geld)vorderingen niet aan een ander mogen worden overgedragen en dat hier geen pandrecht op mag worden gevestigd wordt in de praktijk veel gebruik gemaakt. Zo bevatten veel algemene voorwaarden een bepaling waarin een verbod is opgenomen om vorderingen over te dragen of te verpanden. Het probleem hierbij is dat vorderingen ten aanzien waarvan de overdraagbaarheid en verpandbaarheid is uitgesloten niet meer kunnen dienen tot zekerheid van een financiering. Financiers, zoals met name banken, kunnen van buitenaf ook vaak niet zien of een vordering wel of niet overdraagbaar en verpandbaar is. Dit leidt ertoe dat er minder kredietruimte beschikbaar is.

Op 2 juni 2020 is er bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel ingediend dat aan deze praktijk een einde moet maken. Voorgesteld wordt om aan artikel 3:83 BW twee nieuwe leden toe te voegen, te weten:

3. Uitsluiting van de overdraagbaarheid of verpandbaarheid is niet mogelijk als het een geldvordering op naam betreft die voortkomt uit de uitoefening van een beroep of bedrijf. Een beding tussen schuldeiser en schuldenaar dat ertoe strekt de overdraagbaarheid of verpandbaarheid van een dergelijke geldvordering geheel of gedeeltelijk uit te sluiten dan wel vervreemding of verpanding ervan tegen te gaan, is nietig.

4. Het voorgaande lid is niet van toepassing op geldvorderingen:

a. uit hoofde van een betaal- of spaarrekening;

b. uit hoofde van een krediet- of geldleningsovereenkomst waarbij aan de kant van de kredietgever meerdere partijen betrokken zijn of zullen zijn;

c. van of op een clearinginstelling, als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, dan wel een centrale tegenpartij, een afwikkelende instantie, een verrekeningsinstituut of een centrale bank, als bedoeld in artikel 212a, onderdelen c, d, e en g van de Faillissementswet;

d. die op grond van een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 34, derde lid, 35, vijfde lid, of 35a, vierde lid, Invorderingswet 1990 zullen worden betaald op een bankrekening die wordt gehouden ten behoeve van de betaling van loonbelasting, omzetbelasting en sociale verzekeringspremies.

Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de wetgever van mening is dat er met deze nieuwe wet meer sprake is van een ‘level playing field’. Immers, andere landen zoals Duitsland, Frankrijk en Oostenrijk hebben eveneens wettelijke bepalingen ingevoerd die onoverdraagbaarheidsbedingen en niet-verpandingsbedingen beperken of verbieden. Er zou met deze wet meer kredietruimte beschikbaar moeten komen, volgens de Nederlandse Vereniging van Banken zou het daarbij (alleen al ten aanzien van MKB-bedrijven) moeten gaan om ruim 1 miljard euro. Dat zal natuurlijk moeten blijken. De afschaffing van de overdraagbaarheidsbeperkingen verpandingsverboden zal bijdragen aan de rechtszekerheid. De onduidelijkheid van de status van een vordering – is die nu wel of niet overdraagbaar en verpandbaar? – zal met deze wet worden weggenomen. Het gevolg in faillissementen zal echter waarschijnlijk zijn dat faillissementsboedels (verder) uithollen. Waar in het verleden handelsvorderingen door het overdraagbaarheids- en verpandingsverbod nog in de boedel vielen, zal dat na inwerkingtreding van deze nieuwe wet niet meer het geval zijn.

Wanneer de wet in werking treedt is nog niet duidelijk. Zodra dat het geval is brengen wij u hiervan natuurlijk op de hoogte.

Léon Kunzeler
7 juli 2020

Afbeelding: 
wet opheffing verpandingsverboden
Meer artikelen over de volgende rechtsgebieden: