Pas op met een ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid van een borg!

02 maart 2015

Een schuldeiser kan ten aanzien van één schuld twee hoofdelijk aansprakelijke schuldenaren hebben. Hij kan dan zowel de ene, als de andere schuldenaar aanspreken op betaling van de hele vordering. Voldoet de ene schuldenaar de volledige vordering, dan kan deze het deel dat hij in zijn onderlinge verhouding met de andere schuldenaar te veel betaald heeft op grond van een regresrecht verhalen op de ander. Als het gaat om een schuld van € 2.000,00 die beide schuldenaren voor de helft aangaat, en de ene hoofdelijk schuldenaar voldoet de hele vordering, dan heeft hij dus een regresrecht op de andere schuldenaar voor een bedrag van  € 1.000,00.

Maar wat nu, als de schuldeiser één van zijn hoofdelijk verbonden schuldenaren bevrijdt van diens verplichtingen? Wanneer de schuldeiser afstand doet van zijn vorderingsrecht op de ene hoofdelijk verbonden schuldenaar, heeft dat volgens de wet geen effect voor de interne draagplicht van die schuldenaar (artikel 6:14 BW). Als de schuldenaar die niet ontslagen is van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid de volledige schuld voldoet, kan hij hetgeen hij in de onderlinge verhouding met de andere oorspronkelijke schuldenaar te veel betaald heeft, nog steeds op die ander verhalen. Als een schuldenaar in het gegeven voorbeeld ontslagen wordt van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid, zal hij dus evengoed € 1.000,00 moeten betalen aan de resterende schuldenaar wanneer deze de vordering volledig voldoet.

Dit ligt evenwel heel anders, wanneer het gaat om vorderingen uit hoofde van een overeenkomst van borgtocht. Als de schuldeiser een van de twee hoofdelijk verbonden borgen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid ontslaat, heeft dat niet alleen gevolgen voor de interne verhoudingen tussen die borgen, maar kan dat óók nadelige gevolgen hebben voor de schuldeiser zelf. Dat een bank zich dat niet altijd realiseert, is onlangs pijnlijk duidelijk geworden met twee arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (uitspraak 29-10-2013 en uitspraak 04-11-2014).

In die casus ging het in hoofdlijnen om twee personen die zich tegenover de SNS Bank voor een bedrag van
€ 2.000.000,00 borg gesteld hadden voor de nakoming van verplichtingen van een vennootschap. Met die vennootschap ging het mis, waarna de bank beide hoofdelijk verbonden borgen zou kunnen aanspreken. Om redenen die de bank niet kenbaar heeft willen maken, ontsloeg zij evenwel één van de twee borgen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid, om alleen nog de resterende borg aan te spreken op betaling van € 2.000.000,00. Die resterende borg wilde de helft daarvan verhalen op degene die niets meer hoefde te voldoen aan de bank, maar kreeg in rechte nul op zijn rekest.

Het gerechtshof wees erop dat artikel 6:14 BW niet van toepassing is op afstand door de schuldenaar van zijn vorderingsrecht jegens een borg. De wet heeft hiervoor een specifieke bepaling (7:869 BW), waaruit volgt dat een borg te wiens laste de schuld gelegd is, slechts degene kan aanspreken die op het tijdstip van voldoening jegens de schuldeiser aansprakelijk waren. De eerdere borg was, ten gevolge van het ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid, niet meer aansprakelijk jegens de bank op het moment van voldoening, zodat de resterende borg géén regresrecht had. Hij draaide dus op voor de volledige € 2.000.000,00.

De resterende borg werd als gevolg van de bevoordeling door de bank van de medeborg, voor € 1.000.000,00 benadeeld. Hij stelde zich op het standpunt dat dat onrechtmatig was van de bank, en werd daarin gevolgd door het gerechtshof. Het hof oordeelde dat SNS Bank, toen zij de ene borg ontsloeg van haar verplichtingen, zich ten onrechte niets had aangetrokken van de belangen van de andere borg. De bank had daarmee volgens het hof onzorgvuldig en dus onrechtmatig gehandeld jegens haar borg. De schade die de borg daardoor geleden had bestond uit het bedrag van € 1.000.000,00 dat hij ten gevolge van het ontslag van de andere borg niet langer uit hoofde van een regresrecht kon verhalen. De bank werd veroordeeld € 1.000.000,00 aan hem te voldoen.

Door één van de hoofdelijk verbonden borgen te bevrijden van zijn hoofdelijke verplichting tot betaling van
€ 2.000.000,00, trad de bank op onrechtmatige wijze in de onderlinge verhoudingen tussen de borgen, en verloor zij zelf € 1.000.000,00. De conclusie is dus dat het zowel voor een mede-borg, als voor de schuldeiser, grote gevolgen kan hebben wanneer de schuldeiser tegenover één van de hoofdelijk verbonden borgen afstand doet van zijn rechten. Daar staat men ten onrechte niet altijd bij stil.

Koen Boddaert
2 maart 2015