Verbetering rechtspositie van vrouwen in de afwikkeling van letselschadeclaims

10 november 2014

Het College voor de Rechten van de Mens heeft onlangs geoordeeld dat bij de vaststelling van de hoogte van de letselschadevergoeding een ongeoorloofd onderscheid op grond van geslacht wordt gemaakt indien bij de begroting van de inkomensschade van een vrouwelijk verkeersslachtoffer voetstoots wordt aangenomen dat zij op enige moment na het krijgen van kinderen gedurende enkele jaren zal stoppen met werken om na verloop van enkele jaren weer parttime te gaan werken tot het moment waarop zij de pensioengerechtigde leeftijd zal bereiken.

Ter verduidelijking zal ik eerst de onderliggende casus schetsen.

Een inmiddels meerderjarige vrouw is op tien jarige leeftijd aangereden door een motorrijder waarbij zij (onder andere) hersenletsel heeft opgelopen en niet in staat is om te werken. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de motorrijder erkent aansprakelijkheid waarna de door het slachtoffer geleden en nog te lijden schade moet worden vastgesteld.

Inkomensschade

Een belangrijke schadepost is de inkomensschade (verlies van arbeidsvermogen). Er dient een vergelijk te worden gemaakt tussen het inkomen dat het slachtoffer zou hebben ontvangen indien het ongeval niet zou hebben plaatsgehad en het inkomen dat zij nu ontvangt (een Wajong-uitkering). Omdat het slachtoffer nog erg jong was op het moment van het ongeval, dienden partijen eerst overeenstemming te bereiken over de toekomstsituatie van het slachtoffer indien het ongeval zou worden weggedacht. Het slachtoffer zat ten tijde van het ongeval nog op de basisschool, waardoor het lastig is te bepalen hoe haar toekomst er zou hebben uitgezien indien zij geen ernstig letsel zou hebben opgelopen.

In deze casus wordt na onder andere een gesprek met leerkrachten van de toenmalige basisschool van het slachtoffer het aannemelijk geacht dat het slachtoffer, het ongeval weggedacht, een vierjarige VMBO opleiding basisberoepsgerichte of kaderberoepsgerichte leerweg zou hebben afgerond en daarna zou zijn gaan werken in een functie op dat niveau.

Vervolgens is echter discussie ontstaan over de omvang van de inkomensschade. Namens het slachtoffer wordt bepleit dat zij zonder het ongeval tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd fulltime zou hebben gewerkt. De verzekeraar stelt echter dat, het ongeval weggedacht, het slachtoffer uitsluitend in de periode na het afronden van haar studie tot en met haar zesentwintigste fulltime zou hebben gewerkt in verband met de zorg voor haar (hypothetische) kinderen. U zult begrijpen dat het bij de berekening van de inkomensschade nogal verschil maakt of al dan niet wordt uitgegaan van een fulltime dienstverband. Partijen slaagden er niet in op dit punt overeenstemming te bereiken, waardoor de onderhandelingen stagneerden en partijen een deelgeschillenprocedure zijn gestart, zodat de rechter een beslissing diende te nemen over de uitgangspunten voor de begroting van de inkomensschade, waarna partijen op basis van de door de rechter vastgestelde uitgangspunten de afwikkeling van de schade zouden kunnen voortzetten.

Deelgeschil – parttime werken

In het deelgeschil wordt vervolgens door de rechtbank Den Haag geoordeeld dat het redelijk is te veronderstellen dat het slachtoffer vanaf haar zesentwintigste tot haar zesendertigste niet zou hebben gewerkt om de zorg voor de kinderen op zich te nemen en daarna parttime (50%) weer aan het werk zou zijn gegaan tot aan haar pensioen. Het is volgens de rechtbank zelfs een feit van algemene bekendheid “dat slechts een kleine groep vrouwen na de geboorte van kinderen fulltime blijft werken”. Hoewel dat laatste waarschijnlijk wel onderbouwd zou kunnen worden met statistische gegevens, is daarmee nog niet gezegd dat het merendeel van de vrouwen na de geboorte van haar kind stopt met werken om op enig moment parttime terug te keren op de arbeidsmarkt tot het moment waarop de pensioengerechtigde leeftijd wordt bereikt.

Deelgeschil – onderscheid op basis van geslacht

In de deelgeschillenprocedure werd namens het slachtoffer al bepleit dat onderscheid op basis van geslacht verboden is onder verwijzing naar de bevindingen van het rapport “Onderscheid naar geslacht bij de vaststelling van letselschade. Een verkennend onderzoek” van de Commissie Gelijke Behandeling[1]. In dit rapport werd al geconcludeerd dat dergelijke vooroordelen vrouwen in een slechtere bewijspositie brengt dan mannen in vergelijkbare situaties. Vrouwen dienen immers te bewijzen dat zij niet voldoen aan het stereotype beeld, terwijl er bij mannen van wordt uitgegaan dat de geboorte van hun kind geen invloed zal hebben op hun arbeidsparticipatie, tenzij het tegendeel aannemelijk kan worden gemaakt.

De rechtbank schoof het argument van het slachtoffer echter terzijde met de volgende overweging: “De rechtbank dient, rekening houdend met de beschikbare statistische gegevens en de persoonlijke omstandigheden van het slachtoffer, te schatten hoe het leven van het slachtoffer er, het ongeval weggedacht, zou hebben uitgezien. Daarbij is het onvermijdelijk dat rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat het slachtoffer een vrouw is, maar dat maakt nog niet dat de aannames daarmee discriminerend zijn. De aannames laten immers alle ruimte om in afwijking van de statistische gegevens uit te gaan van een fulltime dienstverband wanneer daartoe op basis van de persoonlijke omstandigheden van het slachtoffer voldoende aanleiding is.” Dat is nu juist de conclusie van het rapport, namelijk dat vrouwelijke slachtoffers qua bewijspositie op een grote achterstand worden gezet, doordat zij moeten bewijzen dat zij, indien het ongeval zou worden weggedacht, fulltime zouden hebben gewerkt ook na de komst van hun kind(eren).

Oordeel

Namens het slachtoffer is vervolgens aan het College voor de Rechten van de Mens verzocht te onderzoeken of er door de aansprakelijkheidsverzekeraar een ongeoorloofd onderscheid is gemaakt op grond van geslacht bij de begroting van de inkomensschade. Zoals aan het begin van dit artikel al vermeld, is er volgens het College een ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt op basis van geslacht. Het College acht het namelijk niet aannemelijk dat de verzekeraar de bij het slachtoffer gehanteerde uitgangspunten (gedurende tien jaar na de komst van het eerste kind niet werken en daarna gedurende de rest van de loopbaan gedurende twintig uur per week) ook gehanteerd zou hebben ingeval van een mannelijk slachtoffer.

Met deze beslissing lijkt de rechtspositie van vrouwelijke letselschadeslachtoffers voor wat betreft de inkomensschade te zijn verbeterd. Het oordeel van het College heeft weliswaar slechts het karakter van een advies en is dus niet bindend, maar het is aannemelijk dat partijen in een letselschadeprocedure wel rekening zullen houden met dit advies. Door het College is immers een dringend beroep gedaan op verzekeraars om voor mannen en vrouwen dezelfde uitgangspunten te hanteren. Bovendien is namens het slachtoffer hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Met het advies van het College in het achterhoofd is de kans dat het slachtoffer in hoger beroep alsnog in het gelijk zal worden gesteld, naar mijn mening aanzienlijk.

Indien u te maken krijgt met een geschil over letselschade dan staat Huver Advocaten u daarin graag bij.

Imke Vorbach,
10 november 2014




[1] De commissie is inmiddels opgegaan in het College voor de Rechten van de Mens.

Meer artikelen over de volgende rechtsgebieden: