Werkgever mag gevonden € 15.100,00 toch afnemen van werknemer

17 februari 2017

Eerder oordeelde de kantonrechter in Rotterdam dat een afvalsorteerder bij de milieustraat HVC in Dordrecht de lieve som van € 15.100,00 mocht houden. Hij vond dit bedrag bij het demonteren van een gedumpte printer. Hoewel hij even heeft overwogen om zijn vondst niet te melden bij zijn werkgever, heeft hij dit uiteindelijk toch gedaan. HVC besloot daarna dat het geld haar eigendom was en dat de werknemer het terug moest geven. De werknemer weigerde en werd en passant beschuldigd van het misdrijf ‘verduistering in dienstbetrekking’. Finders keepers, meende hij, en hij werd zelfs in het gelijk gesteld door de kantonrechter. Het gerechtshof dacht er echter anders over.

De printer

Op grond van artikel 5:18 BW verliest een eigenaar van een roerende zaak de eigendom, wanneer hij het bezit prijsgeeft met het oogmerk om zich van de eigendom te ontdoen. In beginsel moeten goederen die op een milieustraat worden aangeboden beschouwd worden als afval, waarvan degene die het aanbiedt, bewust afstand doet. HVC, die dit soort goederen in ontvangst neemt en zich hierover ontfermt, heeft dus de eigendom van de printer gekregen. Net als de kantonrechter stelt het hof in hoger beroep vast dat HVC daarmee nog geen eigenaar is geworden van het geld in de printer, zoals HVC steeds stelde. De vraag is echter: wie heeft te gelden als vinder van het geld?

Wie is de vinder?

Het hof overweegt dat de wetgever het aan de rechter heeft overgelaten om de inhoud van het begrip vinder zo nodig nader te bepalen. Om de vraag wie in dit specifieke geval als vinder moet worden aangemerkt te beantwoorden, neemt het hof alle omstandigheden van het geval in aanmerking en aangezien het hier een verborgen zaak van waarde betreft, aangetroffen door een werknemer, is het hof ook nog te rade gegaan bij de wetsgeschiedenis van het artikel over schatvinding:

Een schat kan (…) ook in roerende zaken worden gevonden. (…) gaat het niet aan (…) aan de vinder alleen een recht op de schat toe te kennen, wanneer de ontdekking bij toeval geschiedt. Degene, die door nasporingen (…) de plaats van een schat weet te bepalen, heeft zeker niet minder recht op een aandeel in de schat dan hij die geheel toevallig de schat ontdekt. (…)

Indien iemand in dienstbetrekking een schat vindt, is het een vraag van uitlegging der arbeidsovereenkomst of aan de arbeider als ontdekker de helft van de schat toekomt, dan wel de werkgever dit recht heeft; is het doel van de opgedragen arbeid het vinden van schatten, dan komt het recht van de ontdekking aan de werkgever toe; wordt de schat bij toeval bij het uitvoeren van geheel ander werk door de arbeider gevonden dan heeft deze recht op de halve schat.”

Het enkele feit dat HVC aan werknemer werkzaamheden heeft opgedragen, waardoor deze het verborgen geld ontdekte, is volgens het hof niet voldoende om HVC als vinder van de enveloppen aan te merken. Aan werknemer is immers geen opdracht gegeven om verloren zaken te zoeken.

Het hof acht echter wel van belang de aard van het bedrijf waarin en waarvoor de werkzaamheden werden verricht alsmede de aard van de werkzaamheden zelf en de omgeving waarin die werden verricht. In het afvalverwerkingsbedrijf HVC is aan werknemer immers opgedragen om, in een afgesloten ruimte die in beheer was bij HVC, apparaten van HVC te demonteren. Voor een printer betekent dit: demontage teneinde daaruit kabels, batterijen, cartridges en toners te verwijderen.

Onder deze omstandigheden was het onontkoombaar dat werknemer bij de uitvoering van zijn werkzaamheden voor HVC de in de printer verborgen enveloppen aantrof. Dat berustte niet op toeval. Elke willekeurige andere medewerker van HVC met dezelfde opdracht van HVC zou de enveloppen daar in de printer hebben aangetroffen. Toeval is dat, nadat de printer bij HVC is afgeleverd, juist deze werknemer degene was die deze printer demonteerde. In dit specifieke geval is naar het oordeel van het hof daarom HVC als vinder van de enveloppen met het geld aan te merken.

Is de vinder ook de eigenaar?

De vinder is echter nog niet de eigenaar. De vinder kan eigenaar worden, maar dan moet er aan bepaalde wettelijke voorwaarden voldaan worden. De vinder kan alleen eigenaar worden één jaar nadat door de vinder – met bekwame spoed – aangifte is gedaan bij de gemeente. Gesteld noch gebleken is in dit geval dat HVC aan die eisen heeft voldaan. HVC heeft immers geen aangifte van de vondst gedaan, maar heeft zich steeds ten onrechte op het standpunt gesteld dat zij eigenaar van het geld is. Zij heeft dus ook ten onrechte aangifte gedaan van verduistering in dienstbetrekking, aldus het hof.

Moet de werknemer het geld teruggeven?

Resteert beantwoording van de vraag of de conclusie dat HVC vinder van de enveloppen met geld is, ook leidt tot een verplichting van de werknemer om het geld terug te geven aan HVC. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. De vinder kan het geld onder zich houden of aan de gemeente in bewaring geven. Werknemer, die zichzelf als vinder beschouwde, en op grond daarvan de enveloppen met geld onder zich houdt, dient de vondst aan de vinder (HVC) terug te geven die de vondst dan voor de eigenaar kan beheren.

Kan de vinder eigenaar worden?

De werknemer stelt verder nog dat HVC er geen rechtens te respecteren belang bij heeft om de vondst zelf te gaan beheren ten behoeve van de eigenaar, maar daarin volgt het hof de werknemer niet, juist omdat de vinder de eigendom van het gevonden geld kan krijgen áls de rechtmatige eigenaar zich niet binnen één jaar meldt na aangifte bij de gemeente.

Voor het zover is, moet óók nog de vraag worden beantwoord of HVC alsnog aan alle overige wettelijke eisen zal kunnen voldoen om de eigendom van het geld te krijgen. Daarbij is het dan zeer de vraag of HVC het vereiste van ‘met bekwame spoed aangifte doen’ (na bijna twee jaar) alsnog in acht kan nemen, of dat zij geacht kan worden aan die eisen te hebben voldaan doordat de werknemer die verplichtingen op zich heeft genomen, hoewel hij daartoe geen opdracht had van HVC. Volgens het hof behoeven deze vragen echter geen beantwoording in deze procedure. Hierdoor bestaat de kans dat HVC nooit eigenaar zal worden uit hoofde van haar vinderschap, omdat daarvoor niet aan die wettelijke eisen is of zal kunnen worden voldaan. Is er dan nog een andere mogelijkheid waarop HVC eigenaar zou kunnen worden van het geld? Het hof meent van wel.

Verkrijging door verjaring?

Het hof overweegt dat zelfs wanneer HVC niet geacht kan worden aan haar verplichtingen van vinder te hebben voldaan, en dus niet op die grond eigenaar kan worden, HVC belang houdt bij het zelf beheren van het geld (ten behoeve van de eigenaar). Dit in verband met de bepalingen omtrent de bevrijdende verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit. Daarmee zegt het hof dat de onbekende eigenaar van het geld op een gegeven moment – door verjaring – het recht verliest om zijn eigendom op te eisen, zelfs al zou hij erachter komen dat HVC zijn geld heeft gevonden en dat voor hem beheert. Dan is het te laat. HVC wordt na deze verjaring de ‘nieuwe eigenaar’ van het geld, aldus het hof.

Met deze overweging gaat het hof mijns inziens echter voorbij aan het verbod van interversie. Het hof overweegt in dit verband dat HVC als vinder, houder is van het geld dat de rechtmatige eigenaar is verloren, ten behoeve van de rechtmatige eigenaar. Het verbod van interversie houdt echter in dat HVC – als houder van het geld – nooit bezitter van dat geld kan worden (bezit is het houden van een goed voor zichzelf, dus niet voor een ander). Máár bezit is wel een verplicht vereiste om überhaupt door verjaring eigenaar te kunnen worden. Zonder bezit is er geen verjaring, en zonder verjaring kan HVC nooit eigenaar worden. Kortom, de overweging van het hof dat HVC eigenaar zou kunnen worden door verjaring, is in strijd met de wet.

Slotsom

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de werknemer het geld toch moet inleveren bij HVC, omdat HVC als vinder moet worden gezien, en dat HVC het geld mag bewaren tot de eigenaar van het geld zich alsnog meldt om zijn eigendom op te eisen. Daarbij is het maar zeer de vraag of HVC eigenaar kan worden door het vinderschap. Aan de voorwaarden daarvoor lijkt immers niet voldaan en het hof laat die vraag beantwoord. Bovendien is eigendomsverkrijging door verjaring – in tegenstelling tot ’s hofs oordeel – niet mogelijk, juist omdat HVC het geld moet bewaren voor een ander. Iemand € 15.100,00 verloren in de milieustraat van HVC?

Yves Janssen
17 februari 2017

Meer artikelen over de volgende rechtsgebieden: